Voedselvoorschriften zijn ontstaan in de periode van de
mensheid waarin het nomadisch bestaan steeds vaker werd opgegeven voor het
sedentair bestaan in nederzettingen dat door landbouw en veeteelt mogelijk werd
gemaakt.
Nomaden hadden een cultuur ontwikkeld die hen zo goed
mogelijk beschermde tegen de gevaren van de natuur. Bij de overgang naar
sedentair bestaan volstond dat niet meer. Omdat grotere groepen met elkaar
gingen samenleven ontstonden er nieuwe gevaren die het leven bedreigden. Dat
gold met name voor overdraagbare ziekten die zich in een sedentaire samenleving
via bacteriën en virussen gemakkelijker verspreidden en veel meer slachtoffers
maakten.
De traagheid van een evolutionaire aanpassing bijvoorbeeld
in de vorm van resistentie tegen bepaalde ziekten, dwong tot een culturele
oplossing. Deze werd gevonden in voedingsvoorschriften waarvan men aannam dat
ze door de vermijding van bepaalde soorten voedsel of door regels voor
voedselbereiding, besmettelijke ziekten kon voorkomen. Hierdoor konden meer
mensen overleven.
‘Onrein’ betekende
eigenlijk ‘verdacht’.
Carel van Schaik en Kai Michel, respectievelijk biologisch
antropoloog en historicus, schreven het “Oerboek
van de mens“, waarin zij met de vinger op de teksten van vooral het Oude
Testament de culturele revolutie volgen die het overgaan van nomadisch bestaan
naar sedentair bestaan met zich meebracht. De ordening die religie in het
samenleven aanbracht, kon alleen worden afgedwongen met behulp van een externe monotheïstische
God. Méér goden zou maar tot wanorde leiden.
In hun boek noemen zij de voedselverboden en voedselgeboden
een vorm van protogeneeskunde die effectief was omdat potentieel infectueuze
situaties onderkend werden. De in de Thora opgeslagen spijswetten werden later
op een vereenvoudigde manier overgenomen in de Koran. Ook de nadruk op het
monogame huwelijk die beide religies kennen hielp mee bij het beperken van de
verspreiding van ziekteverwekkers door geslachtsverkeer. De sterke afkeer van
varkensvlees was onder meer gebaseerd op het feit dat een varken zich met
‘afschuwelijke’ dingen voedt. Het maken van wijn paste niet in het nomadisch
bestaan maar werd bij het sedentair bestaan wel mogelijk. Het drinken van
alcohol leidde tot wanordelijkheden waar orde juist noodzakelijk werd geacht en
werd daarom verboden.
Ritualisering en
disciplinering
Behalve het vermijden van bepaalde diersoorten en de geboden
tot het zorgvuldig omgaan met soorten voedsel, waren er ook bepalingen voor de
slacht. Het zorgvuldig laten uitbloeden van geslachte dieren hield verband met
het niet volledig vertrouwen van het bloed. Daarnaast bestond nog de meer
religieuze overweging dat bloed gezien werd als de verblijfplaats van het leven
en in feite alleen god toebehoorde.
Naast de protogeneeskundige bedoelingen van de
voedselvoorschriften ontstond ook ritualisering om te benadrukken dat de
voorschriften van god kwamen en overtreding als zondig werd gezien. De
ritualisering bestendigde de voedselvoorschriften tot in de huidige tijd waarin
door de moderne geneeskunde eigenlijk geen behoefte meer is aan die
voorschriften. Van Schaik en Michel wijzen er ook op dat van de voorschriften
een disciplinerende werking uitging en als een gehoorzaamheidstest voor
gelovigen werkte. In dit verband verwijzen ze naar het uit de evolutiebiologie
afkomstige begrip ‘costly signal’. Door afstand te doen van op zich smakelijke
vis- en vleessoorten kon de gelovige bewijzen dat hij offers kon brengen als
bewijs dat hij de religie heel serieus nam. Het is een signaal aan andere
gelovigen dat een onderdeel is geworden van de sociale controle om afwijking
tegen te gaan.
Je onderscheiden door
het ‘anders’ zijn
Ritualisering en disciplinering hebben ook geleid tot het
benadrukken van het ‘anders zijn’. Dit geldt met name voor situaties waarin
orthodoxe joden en moslims onderdeel van een samenleving waarin ze niet
dominant zijn. Door het ‘anders’ zijn te benadrukken worden niet- en
andersgelovigen in de ontmoeting met orthodoxe gelovigen min of meer gedwongen
rekening te houden met de eisen die het ‘anders’ zijn stelt. Op die wijze
dragen orthodox gelovigen hun religie uit en geven tevens blijk van hun
gedisciplineerdheid die hen aan een bepaalde religie bindt. Je kunt geen doos
bonbons meenemen naar een bevriend moslims echtpaar zonder eerst te controleren
of de inhoud ‘halal’ is. Op scholen valt bij verjaardagen bijna niet te
trakteren omdat de traktatie onderzocht wordt op verboden stoffen als
bijvoorbeeld gelatine. Het ‘anders’ zijn kan zo benut worden om in allerlei
situaties dominantie te verwerven vanuit de eis dat het ‘anders’ zijn
gerespecteerd wordt.
Religieuze voedingsvoorschriften
als anachronisme
De voedingsvoorschriften waar orthodoxe joden en moslims
zich aan houden zijn gezien hun ontstaansgrond als protogeneeskunde volstrekt
achterhaald. Het huidige voedselaanbod is veiliger dan ooit eerder. De
ontstaansgrond van de voedselvoorschriften is niet meer bekend onder gelovigen.
Het voortbestaan van de voorschriften dient enkel nog de disciplinering en het
benadrukken van het ‘anders’ zijn.
